Mattheüspassie

De Matthäus-Passion of Mattheüspassie (BWV 244) is een oratorium voor solisten, dubbelkoor en dubbelorkest gecomponeerd door Johann Sebastian Bach in 1727. Ze vertelt het lijdens- en sterfverhaal van Jezus naar het Evangelie volgens Mattheüs. Het is één van de bekendste werken van Bach en wordt beschouwd als één van de grootste meesterwerken uit de klassieke muziek.

Qua opbouw bestaat het werk uit recitatieven (de verhaallijn van het evangelie volgens Mattheüs, gezongen door solisten), koralen (oorsponkelijk eenstemmige traditionele kerkliederen die door Bach vierstemmig uitgecomponeerd zijn), aria's (persoonlijk gedichte teksten van Christian Friedrich Henrici, een Duitse dichter, meestal in A-B-A-vorm) en koorgedeeltes (doorgaans commentaren vanuit de menigte op de gebeurtenissen).

Geschiedenis

Bach schreef zijn Mattheüspassie in 1727. Vermoedelijk werd ze voor het eerst uitgevoerd op Goede Vrijdag (11 april 1727) in de Thomaskirche in Leipzig, waar Bach benoemd was tot cantor.

Het werk werd tijdens het leven van Bach slechts enkele malen uitgevoerd. Bach heeft aan de passie ook nog een paar keer gesleuteld. Hij verving onder andere in de continuo een van de orgels door een klavecimbel. De laatste uitvoering tijdens Bachs leven dateert van 1742 en Bach deed zijn laatste revisie nog later, in 1746. De versie uit dat jaar is tegenwoordig de meest uitgevoerde.

Na de dood van Bach in 1750 geraakte veel van zijn muziek in de vergetelheid. Slechts enkele specialisten bleven een diepe bewondering voor dit genie koesteren. Een van die specialisten was Sarah Levy, de zus van Mendelssohns grootmoeder Bella Salomon. Sarah had nog klavecimbel gestudeerd met een van de zonen van Bach (Wilhelm Friedemann). Zij was ook lid van het koor van de Berlin Singakademie, en de dirigent aldaar (Carl Friedrich Zelter) had ook een grote voorliefde voor de werken van Bach (al dan niet onder invloed van Sarah). Feit is dat ook Felix Mendelssohn en zijn zus Fanny lid werden van dit koor en zo de liefde voor Bachs muziek ingelepeld kregen.

De Berlin Singakademie was in het bezit van vele Bachmanuscripten die gebruikt werden als bron voor de werken die het koor uitvoerde. Zo kwam Mendelssohn in aanraking met enkele uittreksels uit de Mattheüspassie. Maar de grote ommekeer in zijn leven kwam er toen hij in 1823 van zijn eigen grootmoeder, Bella Salomon, een kopie van de volledige Mattheüspassie cadeau kreeg. Vanaf dat moment was het Mendelssohns doel om de Mattheüspassie van Bach in ere te herstellen.

Mendelssohn voerde enkele coupures door in het werk en deed een aantal aanpassingen aan de instrumentatie, maar liet het werk voor de rest intact. Hij voerde de Mattheüspassie van Bach opnieuw uit op 11 maart 1829, in Berlijn. Felix zelf dirigeerde het koor van de Berlin Sangakademie en de oude Zelter zat in het publiek.

Verhaallijn

Het werk is opgedeeld in twee delen, die worden uitgevoerd voor en na de preek van de viering op Goede Vrijdag.

Deel I opent met het koor Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen, waar koor I en II in een vraag-antwoord-dialoog gaan. Het stuk schets het beeld van een lam dat op het kruis geslacht wordt, en zet daarmee de toon voor de rest van het werk.

De eerste scènes spelen zich af in Jeruzalem: Jezus kondigt zijn dood aan (#2), en de plannen om hem te doden (#4) worden ook uitgedrukt. Een scène in Bethanië (#4c) vertelt over een vrouw die kostbaar water over het hoofd van Jezus giet. In de volgende scène (#7) sluit Judas Iscariot een deal over de prijs om Jezus uit te leveren. Ondertussen worden de voorbereidingen van het Paasmaal (#9) in detail beschreven, evenals het Laatste Avondmaal dat overschaduwd wordt door het nakende verraad.

Na de maaltijd gaan ze samen naar het Hof van Olijven (#14) waar Jezus voorspelt dat Petrus hem 3 maal zal verloochenen voor de haan kraait. Jezus vraagt zijn volgelingen (#18) meermaals om hem te steunen, maar ze vallen in slaap terwijl hij bidt. Het is daar ook (#26) dat hij verraden wordt door de kus van Judas, en gearresteerd wordt.

Deel I wordt afgesloten met een vierdelige koraal O Mensch, bewein dein Sünde groß, die herinnert dat Jezus geboren is uit de Maagd Maria en naar de aarde gekomen is om bemiddelaar te worden voor de mensen.

De eerste scène van deel II is een verhoor bij de hogepriester Kajafas (#37), waar twee getuigen beweren Jezus te hebben horen zeggen dat hij de Tempel zal vernietigen en in drie dagen opnieuw zal opbouwen. Jezus zwijgt, maar zijn antwoord op de vraag of hij de Zoon van God is, wordt beschouwd als heiligschennis en alzo een gegronde reden voor zijn dood. Buiten krijgt Petrus (#38)  drie maal te horen dat hij bij Jezus hoort, maar tot drie maal toe ontkent hij dit—en dan kraait de haan.

's Morgens (#41) wordt Jezus naar Pontius Pilatus gestuurd. Judas krijgt spijt van zijn verraad en pleegt zelfmoord. Pilatus ondervraagt Jezus (#43), is onder de indruk, en is geneigd hem vrij te laten. Het is gebruikelijk één gevangene vrij te laten voor het paasfeest, en zijn vrouw steunt hem daarin. Maar als het volk moet kiezen of Jezus dan wel Barabbas (een dief en moordenaar) moet vrijgelaten worden, roept het “Barabbas”! Het volk wil Jezus kruisigen, en Pilatus stemt toe, en wast zijn handen in onschuld. Hij laat Jezus geselen, en levert hem over aan het volk voor de kruisiging.

Op weg naar de berg waar hij gekruisigd zal worden (#55), wordt Simon van Cyrene gedwongen het kruis te dragen. Op Golgotha (#58) wordt Jezus samen met twee rovers gekruisigd en bespot door de massa. Zelfs zijn laatste worden worden niet begrepen. Als hij Psalm 22 citeert (Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten), denken sommigen dat hij de profeet Elia roept. Als Jezus sterft, scheurt het voorhangsel van de tempel middendoor en beeft de aarde (wat Bach in muziek uitdrukt).

's Avonds (#63) vraagt Jozef van Arimathea aan Pilatus het lichaam van Jezus om het te begraven. De volgende dag (#66) herinneren medewerkers Pilatus aan het gerucht van de heropstanding en vragen ze om wachters te plaatsen bij het graf.

Symboliek

Bach speelt veel met getallen. Zo is de getalwaarde van de naam BACH gelijk aan 14 (B is de 2e letter van het alfabet, A de 1e, C de 3e en H de 8e, samen is dat 14). Het getal 14 komt in de Mattheüspassie veelvuldig voor, er zijn bijvoorbeeld 14 koralen, wat dus terugslaat op de naam Bach. Minder bekend is dat 14 maal naar het Hart verwezen wordt.

De Mattheüspassie bestaat in totaal uit 68 muziekstukken. Naast de 14 koralen zijn er 27 passages waarin het evangelie wordt gezongen, en 27 overige stukken. Het getal 27 staat bij Bach voor de drie-eenheid van God (3×3×3). De 27 stukken evangelietekst bestaan uit in totaal 729 maten, wat het kwadraat is van 27.

In het stuk wordt door het koor Herr, bin ich's? gezongen. Dit is in het stuk wanneer Jezus met de 12 apostelen aan het laatste avondmaal deel neemt. Het woord Herr wordt elf keer gezongen, geen 12 keer, Judas (de verrader) zingt immers niet mee.

Een ander duidelijk voorbeeld van symboliek vindt men in de muzikale omlijsting van Jezus: bij alle teksten die Jezus zingt, wordt hij begeleid door liefelijke strijkers, behalve bij z'n laatste woorden. Deze beroemde woorden luiden Eli, eli, lama asabthani, vertaald Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten; de volledige verlatenheid van Jezus wordt hier dus geïllustreerd door de afwezigheid van de strijkers.

De Mattheuspassie eindigt met een groot septiem als voorhouding. De voorhouding lost normaal op. Dit symboliseert de opstanding van Christus. Maar de symboliek komt ook op een minder subtiele wijze terug. De begeleiding van de Christuspartij in de recitatieven bijvoorbeeld gebeurt met een basso continuo. In totaal speelt deze basbegeleiding 365 noten, het aantal dagen in het jaar. Bach geeft hiermee aan dat Jezus de basis van alle dagen van het jaar vormt.